Lang heb ik niet geweten dat er een verschil was. Ja, wel in mijn hoofd en taalkundig. Vanuit allerlei concepten. Maar niet in mijn lijf en hele wezen.
Organiseren hoort erbij, bij een bedrijf hebben. Mooie programma’s maken, groepen samenstellen, een superfijne locatie hebben waar mensen samen kunnen zijn. Dat is gewoon wat je doet als je dit werk doet. Toch? We hebben De Drie Essen, we hebben veel plezier samen met co-creëren, we hebben de onlosmakelijke verbinding met potentieel, we hebben de energie. We werken op geweldige plekken op de wereld, met steeds meer internationale groepen en bedrijven. Kortom: alles echt dik voor elkaar!
Dus we doen het. Ik doe het. Vanzelfsprekend. Bovendien: kansen die zich voordoen en die je kunt maken, moet je pakken als je de mogelijkheden hebt. Een behoorlijk diep ingesleten patroon. Handen uit de mouwen.
Maar er zat iets onder dat vanzelfsprekende. Iets wat ik lang niet goed heb kunnen benoemen.
Een moeten dat dieper ging dan agenda’s en brood op de plank. Een moeten alsof er iets op het spel stond. Alsof er iets mis zou gaan als ik het niet deed. Alsof ik iets zou verliezen, of dat er tekort zou zijn van iets, als ik het anders zou doen. Een urgentie die feitelijk nergens op sloeg, maar die er wel was. Hardnekkig aanwezig, ergens onder de oppervlakte.
Het rare was dat ik het in mijn hoofd allang wist. Dat er niks op het spel stond. Dat ik tot op heden genoeg ervaringen had opgedaan en doe, genoeg was, genoeg had. Dat rationele weten was er wel. Maar in mijn lijf klopte er iets anders: het moest. Werken, bezig zijn, betekenisvolle dingen doen. En dat lijf had het gewoon voor het zeggen.
Dus ik ging op zoek. Waar kwam dat moeten dan wél vandaan?
Ergens in die zoektocht dook mijn opa op. Een banketbakker in Noordoost-Brabant, die op 16 juni 1950 alleen achterbleef met zeven jonge kinderen, tussen 10 en 2 jaar oud. Zijn vrouw, mijn oma, stierf tijdens de bevalling, samen met hun achtste kind. Ze was vijfendertig …
Als ik daaraan denk, raakt me dat. Nog steeds.
En ik weet niet of zijn moeten en mijn moeten iets met elkaar te maken hebben. Maar er is iets in mij dat resoneert: dit klopt ergens. Dat die vanzelfsprekendheid van altijd aanstaan, doorgaan, geregeld gepaard met zwaarte, ergens vandaan komt. Van verder terug dan ik zelf ben. De vraag of het met elkaar te maken zou kunnen hebben alleen al geeft me iets. Ruimte, misschien. En als het zo is, dan heb ik iets waardevols wat hij nooit had: de keuze. Om niet te moeten, maar te mogen. Omdat het kan.
Ik herken dit ook bij veel mensen met wie we werken. Leiders die intellectueel heel goed begrijpen dat ze kunnen loslaten of anders doen, maar het toch niet doen. Teams of organisaties die weten dat een angst niet reëel is, maar er toch door gestuurd worden.
Het hoofd dat zegt: dit hoeft niet. Het systeem dat zegt: toch wel. Dat is hoe het werkt.
Voor mij begon de verschuiving niet met een inzicht. Niet met een besluit. Maar met een eerlijke vraag, die zich voorzichtig maar steeds nadrukkelijker aandiende: moet ik dit eigenlijk?
En toen ik echt keek, niet met mijn hoofd, maar me heel erg met die vraag verbond, was het antwoord: nee. Eigenlijk niet. Ik mag het. Omdat het kan.
Dat verschil, tussen moeten en mogen, is klein in taal en groot in lichaam. “Moeten” trekt je mee. Tot heel dwangmatig soms. “Mogen” geeft je terug aan jezelf.
Ik verwachtte een bevrijdend gevoel bij de vraag, gesprekken erover en onderzoek. Maar dat was er niet, of maar deels. Eerst was het vooral onwennig. Alsof ik een gouden medaille had gewonnen op de Olympische spelen, maar het nog niet kan geloven. Want als het moeten wegvalt, wat blijft er dan over? Of beter: wat komt er dan voor in de plaats? Waar komt er ruimte voor iets anders, die zo werd ingenomen door die gedrevenheid, die urgentie, dat gevoel dat ik iets moet neerzetten?
Het was stiller in me dan ik gewend was. En ik heb er meer tijd voor nodig. Maar in die stilte merk ik iets. Ik ben ermee aan het dansen. Dat gaat nog niet altijd soepeltjes, maar ik word een steeds betere leider in de dans.
En er is ook iets anders voor in de plaats gekomen. Een soort kinderlijke nieuwsgierigheid. Zoals de avond voor Sinterklaas: dat kinderlijke, verwachtingsvolle gevoel van: er komt iets. Wat zit erin? Wat klopt er aan? Wat er gaat komen en waar ik misschien nog nooit aan gedacht heb?
We werken vanaf mei 2026 dus op uitnodiging. In-company, en met programma’s en workshops in binnen- en buitenland. Niet omdat het een slimme strategie is. Maar omdat het klopt. Omdat ik wil voelen dat ik ergens ben omdat ik wil, niet omdat ik denk dat het moet.
Dat vind ik wel wat!
Benieuwd wat dit voor jou of je organisatie betekent? We zijn er, op uitnodiging.
~ Dees